Stichting Erfgoed Meubelfabriek L.O.V.

kop-3
kop-4
kop-5
kop-6
kop-7
kop-8
kop-9
previous arrow
next arrow

Een nieuwe ontdekking?

Een nieuwe ontdekking?

Johanna (Jo) Catharina Pelt en Hendrik Jan Mispelblom Beyer. Uit: familie archief

Op 8 september 1921 trouwt Johanna Catharina Pelt, oudste dochter van Gerrit Pelt en Barendina Martha de Vletter,  met Hendrik Jan Mispelblom Beyer.  Zij krijgen drie zonen: Johannes, Alexander en Erik, mijn vader en ooms. 

Het is een zondagmiddag in december. Het weer is koud en guur. De houtkachel brandt volop en mijmerend kijk ik naar de vlammen. Er ligt voldoende leesmateriaal naast mij. Ik besluit  het fotoboek te gaan bekijken van mijn vader. Het bijzondere aan dit boek is dat er veel handgeschreven teksten bij de foto’s staan. Teksten die zijn ouders, mijn opa en oma, hebben geschreven. Daar ze dit vele jaren zijn blijven doen is het een mooi document geworden. Ondanks zijn leeftijd, 100 jaar,  heeft het boek de tand des tijds goed doorstaan.
Er zitten veel losse bladen, tekeningen, briefjes en schoolverslagen in. De losse onderdelen doe ik in zuurvrije folie mappen, zodat ze niet verder kunnen beschadigen. Soms staan bij de foto’s korte teksten, naast de verhalen die over het gezin gaan. De adressen Kromhout 104 en Singel 292 kom ik diverse malen tegen. Ik herken ze ook niet van de diverse woonadressen waar mijn grootouders gewoond hebben.

School Dordrecht. Foto: familie archief

Halverwege het boek zie ik een serie foto’s die groter zijn dan de anderen en eerder van de hand van een fotograaf komen, dan van een gemiddelde ‘huishoud’ camera.  Ook vind ik een prospectus van een Montessorischool uit Dordrecht uit 1926 met daarin afgedrukt de meeste foto’s die ook in het album van mijn vaders staan.
In de prospectus worden ook de namen van mevrouw J.J. Prins- Werker en mijn oma, J.C. Mispelblom Beyer- Pelt, genoemd. Samen met mevrouw E.C. van de Veen- Stol, en de heren Ir. W. van Rijn van Alkemade, voorzitter, A. Jonkers, 1e penningmeester,
W.A. Niessen, 2e penningmeester en H.J. van Loon. Mijn nieuwsgierigheid groeit, want wat doen deze foto’s in het fotoboek van mijn vader?

Interieur school. Foto: familie archief
Interieur school. Foto: Familie archief

 

 

 

 

 

 

 

Een bezoekje aan oom Erik schept snel duidelijkheid. Direct is er sprake van herkenning: ‘Kromhout en Singel zijn adressen van Montessorischolen in Dordrecht. Mijn moeder was één van de initiatiefneemsters toen deze scholen werden opgericht. Dat was in 1928’.

Oom noemt meteen de naam van mevrouw Prins, een leerkracht. Een glimlach verschijnt dan op zijn gezicht. Haar naam kom ik herhaalde malen tegen in de krantenarchieven en ook als schrijfster over het Montessori onderwijs.
Ik vraag hem of hij de schoolfoto’s herkent. Zonder twijfel zegt hij : ‘Je vader en je oom Alexander staan op deze foto’s’. Ook de andere foto’s worden  bestudeerd. En weer wijst hij personen op de foto’s aan en vertelt: ‘En dat is ook Alexander. Je vader en Alexander zijn beiden naar deze school gegaan. Ik was nog te klein en sta nog niet op deze foto’s’.

Fragment uit fotoboek/ 1929. Foto: familie archief

Wanneer ik het handschrift van mijn opa verder probeer te ontcijferen, kom ik de naam L.O.V. tegen.

Opa schrijft:
…‘Dit is jullie nieuwe school in Kromhout 104. Een stuk van de oude Weeshuisschool is van augustus- november 1928 helemaal opgeknapt en ingericht en op 9 december feestelijk geopend.Vooral het Lager onderwijs-lokaal, dit is gemeubileerd door L.O.V., maakt een verbazend gezellige indruk, zoals je trouwens op de kiekjes ziet en je misschien nog wel herinnerd, als je dit leest’…

In de krantenarchieven vind ik diverse artikelen in verband met de opening van de school op 8 december 1928. Maar er staat niets vermeld over de meubelfabriek L.O.V. te Oosterbeek.

Betreft het hier een nieuwe ontdekking?
Wie kan ons er meer over vertellen?

Ingrid Mispelblom Beyer

 

Prospectus. Foto: familie archief

Geraadpleegde sites:
• www.regionaalarchiefdordrecht.nl
• www.montessorischooldordrecht.nl
• www.delpher.nl
• www.gahetna.nl

Citaten uit de Prospectus Vereeniging Dordrechtse Montessori school 23 september 1926:

Pagina uit prospectus. Foto: familie archief

 

 

Klaslokaal school. Foto: familie archief

 

 

 

 

 

Een slaapkamer voor de Rotterdamse reder A.J.M. Goudriaan

Een slaapkamer voor de Rotterdamse reder A.J.M. Goudriaan

De Oosterbeekse meubelfabriek was niet alleen populair bij de Sociaal-Democratische zuil, maar hun producten vonden hun weg naar het grootkapitaal. Dat bewijst de commissie van de Rotterdamse reder Goudriaan voor zijn eigen woonhuis, waarvan de correspondentie bewaard is gebleven.

Albert Johan Marie Goudriaan (1871-1945) was directeur en grootaandeelhouder  van de bekende Rotterdamse rederij Van Nievelt, Goudriaan & Co. Deze rederij was in 1905 opgericht door de jonge ondernemers  H.A. van Nievelt en A.J.M. Goudriaan en had sindsdien een onstuimige groei doorgemaakt; het ene na het andere schip werd door Goudriaan gebouwd.  Binnen twintig jaar hoorde hij tot de vermaarde ‘havenbaronnen’ die niet alleen zakelijk succesvol waren, maar ook een groot sociaal hart toonden voor het personeel  en de Rotterdamse bevolking.

Vooral tijdens de Eerste Wereldoorlog, toen Nederland neutraal bleef, maakten de rederijen enorme winsten met de riskante maar uiterst lucratieve zeetransporten. Vanaf 1917 werden de schepen van Nigoco  geconfisceerd door de Nederlandse en Amerikaanse overheden,  waardoor Goudriaan tegen zijn zin in tot nietsdoen veroordeeld was.  Goudriaan en zijn gezin hadden echter allen een kunstzinnig aanleg. De reder nam vanaf 1917 nadrukkelijk de rol op zich als mecenas van het culturele leven in Rotterdam en van enkele kunstenaars.  Hij was onder andere lid van de Rotterdamse Kring, een gezelschap van ondernemers, kunstenaars en intellectuelen  en nam zitting in de Raad van Bestuur  van het Museum Boymans en Het Rotterdamsch Toneel.

In kunsthistorische kringen is  de naam van Goudriaan enigszins bekend gebleven als mecenas van de bekende metaalkunstenaar Jan Eisenloeffel. (1876-1952). Tussen 1918 en 1929 bestelde  de reder een hele reeks uiterst kostbare lichtkronen en andere voorwerpen, waarvan de grote zakkroon De optocht der jaargetijden als een hoogtepunt geldt van Nederlandse toegepaste kunst rond 1920.  De woning van de Goudriaans werd dan ook eens omschreven als een ‘Eisenloeffelmuseum’

Goudriaan bouwde niet alleen graag schepen, maar ook huizen.  Zo liet hij door de bevriende architect en buurtgenoot Willem Kromhout (1864-1940) het kantoor bouwen van de Scheepvaartvereniging Zuid, een fantasievol ontwerp in de vorm van een schip.  In 1917 kon de reder aan  de Rotterdamse goudkust Kralingen de hand leggen op het oude landgoed Ypenhof, en niet lang daarna op het aangrenzende landgoed ’s Gravenhof. Daarmee snaaide Goudriaan  9 hectare grond weg voor de neus van de gemeente, die voor dit terrein eigenlijk al een stadsuitbreidingsplan had klaarliggen.  Hij liet twee fraaie villaontwerpen maken door Kromhout, maar de bouwplannen werden uiteindelijk nog tien jaar uitgesteld.

In 1928 was met veel overleg het definitieve ontwerp gereedgekomen. Het werd een reusachtig landhuis met een rieten kap, waaraan een tweede kleinere villa was gekoppeld.  Ook werd er een portierswoning en woningen voor het personeel gebouwd.  Het exterieur, interieur en tuinaanleg werden tot in de puntjes op elkaar afgestemd zodat er sprake was van een waar Gesammtkunstwerk. Behalve de kunstwerken van Eisenloeffel vond men er ook meubilair van Kromhout, gebrandschilderde glas-in –lood vensters van de Haarlemse glazenier Willem Bogtman, een lamp van Gispen  -en een slaapkamerameublement van Labor Omnia Vincit.

Terwijl de bouw van villa Ypenhof in januari 1929 volle gang was, ontving de L.O.V een schrijven van Kromhout’s Chef de Bureau Stokla waarin gevraagd werd om informatie op te sturen over meubilair dat door de fabriek werd vervaardigd, alsmede stalen voor bekledingsstoffen.  Gerrit Pelt moet zeer opgetogen geweest zijn over deze aanvraag.  Hij  stuurde  niet alleen het gevraagde materiaal toe, maar bood in een begeleidende brief  eveneens aan dat  hijzelf, of zijn chef-ontwerper Jan Muntendam,  naar Rotterdam af zou reizen om een en ander te mogen toelichten.  Het zal door ons bijzonder  op prijs worden gesteld indien deze zending aanleiding mag geven nader met ons in relatie te willen treden, schreef Pelt.

Nu, dit was het geval want in minder dan een week  was een afspraak gemaakt op Goudriaans kantoor aan de Veerhaven. Daar werden de eerste wensen besproken die vervolgens door Muntendam werden uitgewerkt.  Drie weken later stuurde Pelt opnieuw een brief, waarin hij meldde dat Muntendam het project voor de slaapkamerinrichting in gereedheid had gebracht. Gevraagd werd wanneer de reder de heer Muntendam kon ontvangen. Goudriaan kon desgewenst ook in Oosterbeek het project bespreken omdat hij dan verschillende modellen zou kunnen zien. Afgesproken werd dat het projectvoorstel naar Rotterdam werd opgestuurd waarna op de zaak teruggekomen zou worden.

Daarna nam het project een andere wending.  Goudriaan had namelijk voor de bovenverdieping de Rotterdamse binnenhuisarchitect Jan Gompertz (1887-1963) in de arm genomen die hij vijf jaar eerder al had geholpen met het verstrekken van een lening om het Kunstnijverheidhuis De Distel op te richten.  Ook nu bleek Goudriaan als mecenas op te treden door hem opdachten te gunnen om het huis in te richten.  Er werd telefonisch medegedeeld dat niet Muntendam, maar Gompertz een slaapkamerontwerp zou leveren die dan door de L.O.V. zou worden uitgevoerd.  Daarna bleef het wekenlang stil zodat Oosterbeek een enigszins bezorgde brief verstuurde waar het  speciale ontwerp bleef; men maakte zich zorgen in verband met de afgesproken leveringstijd.   Goudriaan reageerde prompt en liet onmiddellijk door Gompertz het ontwerp en een aanvraag voor een prijsopgave de deur uitgaan.  Er werd snel overeenstemming bereikt en een week later , op 14 maart 1929, dankte Pelt voor de spoedige overmaking van de factuur. De kosten voor de uitvoering van de slaapkamer  (en aangrenzende kleedkamer) bedroeg maar liefst 6.301, 50 gulden. Hier bovenop kwam ook het honorarium voor het ontwerp van Gompertz van bijna 300 gulden.

Te oordelen aan de hoge kosten moet het ameublement prachtig geweest zijn, vervaardigd met kostbare materialen.  Hoe de slaapkamer eruit heeft gezien, is helaas niet meer bekend want na het overlijden van mevrouw Goudriaan in 1959 is het ameublement geveild.

Villa Ypenhof wachtte daarna nog een veel triester lot. De nazaten van Goudriaan zette op Ypenhof met verve de familietraditie voort met het organiseren van huisconcerten en andere culturele activiteiten. Maar vanaf de jaren zeventig  was de villa in kamers verhuurd en het achterstallig onderhoud nam schrikbarende vormen aan. Nadat Ypenhof begin jaren’80 was verkocht, vond Goudriaans villa in 1985 een roemloos einde door brandstichting. De naam, vijverpartij  en de portierswoning aan de ‘s-Gravenweg  zijn nu nog  de enige getuigen van het eens zo fraaie Gesammtkunstwerk.

Frederik Erens,
april 2014.

De heer Jan Schuurman: (1902 – 1961) werknemer en ontwerper bij meubelfabriek L.O.V. te Oosterbeek (1932/1935)

De heer Jan Schuurman: (1902 – 1961)
werknemer en  ontwerper bij meubelfabriek L.O.V. te Oosterbeek (1932/1935)

foto: familie archief

 Al vele jaren zijn we verzamelaars van meubelen die gemaakt zijn door L.O.V.. Daar vele meubelen ook een eigen verhaal hebben, verzamelen we nu ook de verhalen en meldden wij ons als lid aan van de Stichting Heemkunde Renkum aan en zo kwamen wij met medewerking van Betty de Roder, secretaris van deze stichting op het spoor van de heer Schuurman. 

Op een mooie zaterdag in december kunnen we een bureautje en twee stoelen  in Oosterbeek ophalen welke ontworpen zijn door de heer Schuurman. We krijgen kopieën van de ontwerptekeningen en van de correspondentie met Peter Bijleveld, stiefzoon van de heer Schuurman. Aan de hand van deze correspondentie zijn we op onderzoek gegaan.
De meeste informatie kregen we van Peter en zijn zus Mieke.

Rechts naast G. Pelt, mw. T. Schuurman. Rechts achter staand J.A.G. Schuurman. Foto: familie archief

De heer Schuurman is twee keer getrouwd geweest. De eerste keer met Thea Schuurman- Kok. Na haar overlijden in 1957, hij was toen adjunct-directeur Publieke Werken te Hilversum,  trad hij in het huwelijk met Daisy Schuurman- Meijers, de moeder van Peter en Mieke. Jan Schuurman overleed op 28 augustus 1961 op 59 jarige leeftijd.

Van Peter krijgen we een kopie van de notulen d.d. 30 september 1932 i.v.m. de indiensttreding van de heer Schuurman bij L.O.V. . Onderstaand plaatsen we enkele citaten uit deze notulen:

‘ De notulen van een vergadering van het dagelijksch Bestuur van den Raad van Commissarissen der N.V. Oosterbeeksche Meubelfabriek L.O.V. te Oosterbeek gehouden op 30 september 1932 ten kantore der Rotterdamsche Bankvereeniging te Arnhem.
Aanwezig bij deze vergadering zijn de President Commisaris Mr. S. Baron Creutz, en de heren H. Goedhart jr. , L. Proos Hoogendijk, alsmede de Directeur de heer G.J. Pelt.
Afwezig met kennisgeving is de heer C. Beets’.

De inhoud:
‘ Aan de orde  is de goedkeuring om een voorloopige verbintenis aan te gaan met den heer Ir. J.A.G. Schuurman te Bussum, met de bedoeling om later, na gebleken geschiktheid, genoemde heer Schuurman als vervanger van den tegenwoordigen Directeur, als Directeur aan de Vennootschap te verbinden’.

Hierna volgen de gemaakte afspraken tussen betrokkenen. Daar deze een aardige schets geven van die tijd, plaatsen we enkele citaten:
‘De heer Schuurman geeft als volontair zijn volle werkkracht aan L.O.V. voor een proeftijd, welke niet korter is dan een half jaar, en niet langer is dan een vol jaar, ingaande 1 October 1932. Gedurende dien tijd ontvangt de heer Schuurman een vergoeding van f. 100,– per maand. Indien naar het oordeel van den Directeur en Commissarissen de heer Schuurman in aanmerking kan komen voor bedrijfsleider of adjunct- directeur, zal hij na het einde van den proeftijd, die gelegen is tusschen een half jaar en een heel jaar na 1 October 1932, daartoe worden aangesteld en zal dan een salaris genieten van f. 200,– à 250,– als minimum per maand’.

En dan volgt een verklaring over de wijze van aftreden van de Directeur Pelt, en de bijkomende financiële aspecten, wanneer de heer Schuurman daadwerkelijk een andere functie zou krijgen.
Uit de correspondentie blijkt ook dat de heer Schuurman tot die tijd werkzaam was in de civiele sector als ingenieur van de Technische Hoogeschool te Delft. Daarna heeft hij een jaar gewerkt bij Dwars, Heederik en Verhey te Amersfoort als opzichter bij de aanleg van waterleidingen. De moeder van Peter en Mieke vertelde  hen: “In 1932 was er weinig uitzicht op vast werk en de baan in Amersfoort was maar tijdelijk. Echter Jan (Schuurman) wilde zijn dromen nastreven en bij al zijn sollicitatiepogingen koos hij voor een werkkring bij de n.v. meubelfabriek L.O.V. te Oosterbeek”. Peter: “Een merkwaardige afbuiging in de loopbaan van een civiel ingenieur, maar de idealistische opzet van L.O.V. dat tot doel had meubels te maken van een eigentijdse vorm en goede constructie, sprak de jonge, idealistische en artistiek begaafde Jan Schuurman zo zeer aan, dat hij tot deze zijstap overging.
De slechte dertiger jaren waren oorzaak dat de fabriek of wel haar karakter moest opgeven ofwel moest sluiten. De Directeur en zijn staf besloten resoluut tot opheffing, waarop Jan Schuurman terugkeerde naar het ingenieursbureau Dwars, Heederik en Verhey te Amersfoort”.

Na het overlijden van de Jan Schuurman vonden ze originele meubeltekeningen en schetsen uit de periode 1920- 1930 en waaruit bleek dat Jan Schuurman al langere tijd bezig was met het ontwerpen van meubelen. Peter: “Jan stond bekend als terzake kundig , mild in kritiek en iemand met veel gevoel voor humor, waardoor in vele werksituaties zijn leiding aanvaard werd en hij directies tot steun was. De hoogste functie van directeur heeft hij en na zijn verzoek daartoe, altijd afgewezen omdat hij liever bij de werkvloer bleef en graag het vergaderen aan derden overliet”. Woorden die getuigen van warmte en diep respect voor zijn vader.

Wolbankje
In een later gesprek blijkt dat Mieke nog in het bezit is van een bankje, dat ook door Jan Schuurman is ontworpen.  Beiden spreken over  ‘een wolbankje’.  We vragen om een foto. “Het bankje ziet er goed uit en heeft alleen maar een poetsbeurt nodig” aldus Mieke. Zowel het slot als de scharnieren, die van hout zijn, vallen ons op. Daar is goed over nagedacht om van dergelijke details zo’n kunstwerkje te maken.
Het bankje was ontworpen voor bij het weefgetouw van Jan Schuurmans eerste vrouw Thea, die een zeer bedreven weefster was. De naam ‘wolbankje’ is later ontstaan, omdat het gebruikt werd voor het opbergen van bolletjes breiwol en pennen. Het bankje is  ingedeeld met verplaatsbare wandjes.

In het voorjaar van 2016  bezoeken we Mieke en haar man Anne. Er wordt opnieuw veel uitgewisseld over wat zij zich nog kunnen herinneren over hun stiefvader.  “Helaas hebben we hem maar kort gekend. Wij studeerden inmiddels en woonden op kamers”, aldus Mieke. Zij belooft  nog verder op zoek te gaan in het familie archief  en of er nog foto’s zijn  over de periode dat Jan met zijn eerste vrouw getrouwd was  en waar mogelijk ook andere door L.O.V. gemaakte meubelen op staan. “We achten de kans klein, want toen onze moeder met Jan trouwde is alle inboedel vernieuwd, met uitzondering van het ‘wolbankje’, het bureautje en de twee stoelen”, vertelt Mieke “deze werden mee verhuisd”. En Mieke voegt er nog aan toe, toen we het bankje in ontvangst namen: “Ik vind het veel meer op zijn plaats tussen de andere stijl-meubels”.
We geven haar groot gelijk.

Ingrid Mispelblom Beyer
Een uitgebreide versie van dit artikel staat in het blad de Schoutambt en Heerlijkheid ,
jaargang 30, nummer 2, 2016.

 

Jacob Poppen Janssen, van LOV meubelmaker tot leraar kunstnijverheid aan de Amsterdamse Academie

foto familie archief: 0021

Op een winterdag in 2017 bezocht de Stichting Erfgoed LOV de classicus dr. L. F. Janssen. De heer Janssen had eerder aangegeven dat zijn vader als jongeman bij de meubelfabriek had gewerkt en vertelde nu over de achtergrond.

foto familie archief: 0021

Jacob Poppen Janssen (1892-1960)  had met zijn broers en zusters op jonge leeftijd zijn ouders verloren en groeide op in het Lutherse weeshuis in Amsterdam.  Op het bereiken van zijn 18e jaar werd hij geacht zijn eigen kost te verdienen en werd geschoold als  timmerman.  Ergens tussen 1910 en 1915 vond hij een betrekking bij de pas opgerichte meubelfabriek LOV. Hij woonde in Oosterbeek in bij een gezin die er een timmerbedrijf en boerderij hadden. Hij had het geluk dat hij als weeskind terecht kwam in een ‘warm’ kosthuis waar hij later met waardering op terugkeek.  Bij de LOV was hij enkele jaren in dienst als meubelmaker waar hij een interne opleiding kreeg. Gezien het sociale karakter van de onderneming heeft hij alle kansen aangegrepen op zich in de vrije tijd verder te ontwikkelen. Deze kans werd mogelijk gemaakt door zijn jeugdliefde Louise Franciska Schütz, die hij kende van het Lutherse weeshuis. Zij vond werk als derde dienstmeisje bij de joodse familie Manus. Rosa Manus (1881-1942) was een voorvechtster van vrouwenrechten in Nederland. Daarna kwam Louise in dienst bij de vermogende familie Noppen, bij wie eveneens een warm sociaal hart klopte. Op voorspraak van de heer Noppen kon Louise’s verloofde een cursus volgen  aan de Kunstnijverheidsschool Quellinus te Amsterdam. Hier haalde hij zijn M.O. tekenakte die hem de toegang tot het leraarschap verschafte.  In 1920 kreeg Janssen –alweer op voorspraak van Noppen- een aanstelling aan de prestigieuze Quellinus-school in Amsterdam. Hier zou hij de rest van zijn loopbaan lesgeven in het meubelmakersvak.  Met de vaste aanstelling op zak trouwde hij in hetzelfde jaar met Louise Schütz. Waarschijnlijk  hadden zij al in de LOV-tijd trouwplannen gekoesterd, want het is bekend dat hij in de voorgaande jaren werkte aan de uitzet. Dit betrof een volledige set van meubelen voor de eetkamer en de slaapkamer die hijzelf had ontworpen en op de vrije zaterdagmiddagen werden vervaardigd, waarbij Janssen gebruik mocht maken van de faciliteiten van de LOV-fabriek. Het werd een sobere, ambachtelijk uitgevoerde meubelset in Slavonisch eikenhout, met enkele coromandelhouten accenten. Qua ontwerp toonden de meubelen gelijkenis met de vernieuwende vormgeving van Willem Penaat. De meubelen zijn nog steeds in het bezit van de familie.  Het is ook mogelijk dat directeur Gerrit Pelt de loopbaan van Janssen heeft bevorderd. In ieder geval verliet Janssen de LOV met een fraai getuigschrift op zak.

foto familie archief: 0021

Op de Quellinusschool was Janssen geheel op zijn plaats en heeft er tot zijn pensionering in 1957 lesgegeven. Deze kunstnijverheidsschool aan de Amsterdamse Gabriël Metsustraat was oorspronkelijk opgericht door de bekende architect Pierre Cuypers om ambachtslieden op te leiden ten behoeve van de bouw van het Rijksmuseum.  In de loop van de jaren ontwikkelde deze school zich tot een vooraanstaand instituut  waar generaties Nederlandse ontwerpers en beeldende kunstenaars hun opleiding hebben gehad. Het onderwijs was gesplitst in de ontwerpafdeling waar de nadruk op het tekenen werd gegeven, en de uitvoeringsafdeling waar een grondige materiaalkennis en de praktische uitvoering werd onderwezen. In 1924 fuseerde de school met de Rijksschool voor Kunstnijverheid en ging verder onder de naam Instituut voor Kunstnijverheidsonderwijs Amsterdam (IVKNO), de latere Rietveldacademie.

foto familie archief: 0021

Janssen kon het daar goed vinden met collega-docenten als J.B. Heukelom en Bert Nienhuis, en met de opeenvolgende directeuren:  van 1916 tot 1924 de theosofische architect J.L.M. Lauweriks, de ‘heer van standing’ Smits, vanaf 1934 tot 1948 de communistisch georiënteerde architect Mart Stam. Deze laatste maakte zich met zijn autoritaire houding kennelijk niet geliefd op de school, maar de verhouding tussen Janssen en Stam kenmerkte zich door wederzijds respect. Als Janssen bijvoorbeeld vroeg om een machine om hout te buigen met behulp van stoom, dan zorgde Stam er gewoon voor dat deze werd aangeschaft.  Tot zijn leerlingen behoorden onder andere de latere binnenhuisarchitecten Drilling (wiens vader een meubileringsbedrijf had aan de Rozengracht), Johan Niegeman die een grote rol zou spelen in de naoorlogse Stichting Goed Wonen, en de uit Nederlands-Indië afkomstige Kho Liang Ie, de ‘poëet onder de functionalisten’ die in de jaren zestig o.a. de prestigieuze opdracht kreeg om de vertrekhal van Schiphol vorm te geven.   Op die manier werd de modernistische vormgeving die de LOV decennia eerder kenmerkte op een indirecte manier aan een volgende generatie ontwerpers doorgegeven.

Frederik Erens.

Albert Smit (1878-1946) , tekenleraar in Arnhem

De LOV had verbindingen met de kleine creatieve wereld van de Veluwezoom. De Arnhemse tekenleraar Albert Smit maakte daar deel van uit.

Zelfportret Albert Smit. Familie archief; 0051

Albert Smit was geboren en getogen Groninger en had de mogelijkheid te studeren aan de Rijksschool voor Kunstnijverheid in Amsterdam, de school voor toegepaste kunst die aan het Rijksmuseum was verbonden. Ook zijn mede-Groningers Bert Nienhuis en Albert Hahn volgden hun tekenopleiding aan deze school. Smit bleek een talentvolle leerling te zijn die speciaal werd opgemerkt door de directeur van de Rijksschool, J.R. de Kruyff. Ook in het blad De Opmerker kreeg de jonge kunstenaar een eervolle vermelding. Hij bekwaamde zich met name in het streng stileren van de natuur, wat een kenmerk werd voor de ‘Nieuwe Kunst’, de Nederlandse variant van de Internationale Art Nouveau-beweging. In 1897 nam hij deel aan de theosofische ‘Vahana’cursus, waar hij met de architecten De Bazel en Lauweriks in contact kwam en hem leerde tekenen via een wiskundig systeem. Verder was hij bevriend met Chris Lebeau, die het ‘ontwerpen op systeem’ als  geen ander in de vingers had. Al met al bevond hij zich in deze periode in het midden van de Nederlandse avant-garde op ontwerpgebied.
In 1899 haalde hij zijn akte en kon als tekenleraar aan de slag in Amsterdam aan de vaktekenschool. Zijn inkomen was de eerste jaren nogal bescheiden zodat hij ook naar andere inkomstenbronnen moest zoeken. Aan Bert Nienhuis leverde hij ontwerpen voor diens kleine keramische atelier De Lotus dat al gauw werd overgenomen door plateelbakkerij De Distel. Prachtig zijn Smit’s tegeltableau’s voor het Americain hotel aan het Leidseplein, een schepping van architect Willem Kromhout. Het was een perfecte symbiose van architectuur en toegepaste kunst. Zijn hele leven lang zou Smits een grote belangstelling voor architectuur aan de dag leggen.

Familie archief: 0051
familie archief: 0051

Smit’s loopbaan nam een nieuwe wending toen hij in 1901 werd benoemd tot tekenleraar aan de ambachtsschool in Arnhem. Hij volgde daar zijn studiegenoot Harm Ellens op.  Smit trouwde, stichtte een gezin (zijn dochter zou eveneens een verdienstelijk tekenares worden) en zou zijn hele leven lang aan Arnhem verbonden blijven.
Er zijn  meubelen bekend die rond 1910 door hemzelf zijn ontworpen en zijn uitgevoerd door de leerlingen van de ambachtsschool. Een eikenhouten buffet, eetkamertafel en stoelen verraden dan nog in alle opzichten de invloed van de bekende architect K.P.C. de Bazel. Toen hij eenmaal was gevestigd in een jaren ’20 woning op de Braamberg vulde hij zijn interieur aan met meubilair van de LOV. Bekend in de familie zijn fauteuils met geregen textiel en een bank. Ook was hij bevriend met Piet Izeren en Jan Muntendam die voor korte of langere tijd aan de LOV verbonden waren.

In familiebezit bevindt zich nog een map met meubelontwerpen, allen door zijn leerlingen getekend naar bestaande meubelen van de LOV. Daarmee werd het tekenen naar perspectief geoefend, en vervolgens met verf ingekleurd om kleurstellingen onder de knie te krijgen. De randen van de tekeningen werden naar voorbeeld van het bekende tijdschrift Wendingen uitgevoerd.

Smit zelf heeft weinig vrij werk gemaakt, maar blonk wel uit als ontwerper van reclamemateriaal. Verder was hij een groot liefhebber van het werk van Marius Bauer. Wegens een zwakke gezondheid ging hij vlak voor de Tweede Wereldoorlog met pensioen. De oorlog haalde de familie Smit ook in. Na de slag om Arnhem moesten zij naar Velp geëvacueerd worden, waar zijn gezondheid verder onder leed. Bij terugkomst was het huis deels geplunderd, vooral zijn tekeningenarchief had te lijden gehad.

De moeilijkheden van de oorlog is Albert Smit nooit meer te boven gekomen. Hij overleed in 1946.

Frederik Erens

Met dank aan de heer en mevrouw Delvigne.

Willem Berends (ca. 1890-1963), bedrijfsleider en vioolbouwer

foto: familie archief C0049

Willem Berends werd geboren in Renkum en volgde zijn opleiding aan de Ambachtsschool in Arnhem –vermoedelijk ook bij Albert Smit die daar sinds 1901 doceerde. Berends stond bekend als een ijverige leerling die altijd stipt op tijd in de klas verscheen, ondanks zijn dagelijkse lange tocht vanuit Renkum. Toen hij zijn diploma in ontvangst nam, kreeg hij om die reden ook een zilveren zakhorloge met inscriptie.
Na de ambachtsschool bekwaamde hij zich in het bouwen van violen; hij maakte daarvoor zelfs een studiereis naar Hongarije.

Op een onbekend moment werd hij aangenomen bij de LOV in Oosterbeek waar hij opklom tot bedrijfsleider.
Over deze periode is weinig overgeleverd, wel weet men te herinneren dat hij in deze functie naar Tsjechoslowakije reisde om er hout in te kopen. Dat zal ongetwijfeld het hoogwaardige Slavonisch eikenhout betroffen hebben, al ligt ‘Slavonië’ strikt genomen in Kroatië. Hij kocht er ook het hout voor zijn vioolbouw.

Hij sprak  op latere leeftijd trouwens ook nauwelijks over zijn L.O.V. tijd. Dat was na 1935 passé.  Toch is er uit Berends’ erfenis veel meubilair uit de LOV-fabriek bewaard gebleven, liefdevol gekoesterd door zijn kleinkinderen.

 

Foto: familie archief C0049
Foto: familie archief C0049

 

 

 

 

 

 

 

 

Een opmerkelijk meubel is een uitklapbare grammofoonplaatkast die de musicale Berends liet maken met een draaischijf voor het afspelen van langspeelplaten, en een voor het zelf graveren van de platen. Hij  ontwierp zelf ook meubilair.

Volgens zijn kleindochter stond hij bekend als een aardige, rustige persoonlijkheid die nauwe contacten onderhield met kunstenaars en ontwerpers op de zuidelijke Veluwezoom.

 

Bureau J.A. Muntendam

Foto: Achterzijde. Uit brochure 1930

Op weg naar de kringloop? 

Het is woensdag. Deze dag is al vroeg begonnen en bij het afsluiten van mijn pc checkte ik nog de mail. Een nieuw berichtje met in de kop het onderwerp: L.O.V.
Mijn nieuwsgierigheid is direct geprikkeld en de moeheid van die dag verdween als sneeuw voor de zon en lees het volgende:   ‘Ik ben bezig mijn woonkamer te veranderen en zo ontstond de gedachte om het bureau weg te doen . Het bureau heb ik na het overlijden van mijn vader gekregen. Het is te  groot en mijn woonkamer is dat niet. Ik dacht het moet maar naar de kringloop. Maar toen ik nog eens beter naar het bureau keek,  zag ik op de klep van het voor vak een plaatje zitten van meubelfabriek L.O.V. Oosterbeek.
Via Google ontdekte ik dat het een meubelfabriek was uit het begin van de vorige eeuw, die failliet ging in 1935.

Meer lezen

3 Stoelen uit 1930

Gered van de Kringloop.

‘Op internet zag ik uw verhaal over L.O.V.  meubels. Een inspirerend verhaal heb ik misschien niet, maar nog wel 3 L.O.V. stoelen en een dressoir uit 1930. Ook de originele rekening van de L.O.V. fabriek heb ik nog. Het zijn allen meubels  waarop mijn ouders erg trots waren, maar die nu al jaren bij mij op zolder staan en die de kringloopwinkel niet meer de moeite waard vindt. Het gaat mij zeer aan het hart om de stoelen bij het grof vuil te zetten’.
De brief gaat verder: ‘ Ik heb nu alleen foto’s van de stoelen omdat  het dressoir in Amsterdam bij mijn zoon staat. Hij heeft te kennen gegeven er geen prijs meer op te stellen’. 
De brief was ondertekend met Ruurd. Ook zijn adresgegevens en telefoonnummer staan erbij vermeld. We besluiten  die dag nog een afspraak te maken.

Wanneer we uitgenodigd worden om plaats te nemen in de woonkeuken, zien wij de stoelen meteen staan. Het zijn twee lage salonstoelen en een vrij grote hoge stoel. Al snel begrijpen we uit de verhalen van Ruurd en zijn vrouw, dat er meer stoelen zijn geweest. ‘Deze hebben echter de diverse verhuizingen niet goed overleefd’, aldus Ruurd.  Ook herkennen we een salontafel,  die in de woonkamer staat. Maar daar wilden ze nog geen afstand van doen.  Wat we ons goed kunnen voorstellen, daar hij nog volop in gebruik is. Van het dressoir  zouden we nog een foto krijgen. ‘Onze zoon wilde hem gaan logen’ we keken elkaar geschrokken aan. Onze reactie wordt opgemerkt en Ruurd stelt ons meteen gerust dat dit voornemen niet uitgevoerd zal worden.

Meer lezen

Evert de Geest (1860-1939) en Gerrit Pelt (1864-1956), twee geestverwanten in Oosterbeek

Evert de Geest. Foto: archief M. Breij

Ter realisering van een bouwproject had aannemer Evert de Geest te maken met diverse opdrachtgevers, architecten, leveranciers van bouwmaterialen en ambachtslieden. Onder deze figuren bevond zich één persoon die voor Evert de Geest méér dan een collega moet zijn geweest: niet alleen een opdrachtgever, maar een geestverwant met wie hij zijn sociale opvattingen over het omgaan met zijn personeel deelde en die bovendien van grote betekenis is geweest voor onder meer de werkgelegenheid in het dorp Oosterbeek: Gerrit Pelt (1864-1956).

Gerrit Pelt werd op 20 december 1864 te Rotterdam geboren als zoon van een boekhouder. Na de Lagere School kwam Gerrit in dienst bij het aannemersbedrijf van Muller & Droogleever Fortuyn, waar hij als krullenjongen begon en uiteindelijk tot timmerman werd opgeleid. Daarna bezocht hij de Academie van Beeldende Kunsten en Technische Wetenschappen voor architectuurtekenen, in welk vak hij bij een architectenbureau in Nijmegen verder werd opgeleid.
Omstreeks 1888 vestigde Gerrit Pelt zich als architect en timmerman en leidde in Rotterdam tot 1893, samen met H. J. G. Hakkert, een aannemersbedrijf en timmerwerkplaats. Vervolgens werkte hij bijna tien jaar als zelfstandig architect. Dit was een periode waarin hij zoveel opdrachten kreeg dat zijn gezondheid er onder te lijden had.

 

Meer lezen