Stichting Erfgoed Meubelfabriek L.O.V.

kop-3
kop-4
kop-5
kop-6
kop-7
kop-8
kop-9
previous arrow
next arrow

Medewerkers L.O.V.

Wie is wie?

In de vele publicaties die inmiddels gedaan zijn over de meubelfabriek LOV, staan ook personen op de foto’s. Dat maakt ons nieuwsgierig, want wie zijn nu de personen die op de foto’s staan. Zijn er mogelijk onder u die ons hier meer over kunnen en willen vertellen?
En mogelijk heeft u ook nog foto’s in uw bezit die wij mogen publiceren of u deze met ons wilt delen.

Meer lezen

D.J.W. Lackamp, 1882- 1959

Werkzaam als boekhouder/administrateur bij de  L.O.V. 

Foto: familie archief

In 2020 is de Stichting een foto album ter beschikking gesteld, dat in het bezit was van de erven van de heer Lackamp. Wij hopen nog wat meer informatie te krijgen of te vinden over de heer Lackamp. We deden  ook navraag bij de kleindochter van Gerrit Pelt. Ze wist hem direct te herinneren als ‘de administrateur die lang voor haar opa heeft gewerkt’. 

Meer lezen

Jack Zeijlemaker, meubelmaker bij de L.O.V.

‘IS DIT IETS VOOR U?’ 

Foto: familie archief
Jack Zeijlemaker

‘Is dit iets voor u?’.
Zo begint een aankondiging voor de heropening van adviesbureau voor woninginrichting aan de Jans Binnensingel in Arnhem. Het gaat hier om een adviesbureau van meubelfabriek L.O.V dat onder leiding staat van mevr. Smit, wiens specialiteit de kleinere artikelen van kunstnijverheid betreft en de heer Zeijlemaker, binnenhuisarchitect, die de bezoekers wegwijs maakt bij het kiezen van meubilair. Veel van dat meubilair is ontworpen door J.A. Muntendam, architect bij de meubelfabriek L.O.V. (Labor Omnia Vincit) in Oosterbeek.

Meer lezen

Gerard Perfors, meubelmaker bij L.O.V. (1890-1964)

Gerard Perfors, Meubelmaker bij de L.O.V.

Archief W.Willems. Gerard Perfors

De naam van Gerard Perfors (1890-1964) is vooral verbonden met de reis die hij als twintiger in de zomer van 1911 ondernam met twee vrienden.  Na acht maanden voegde zijn latere vrouw Marie Zwarts zich bij het gezelschap. De vier adolescenten wilden acht jaar lang wegblijven en noemden zich De Wereldwandelaars.

Meer lezen

De heer Jan Schuurman: (1902 – 1961) werknemer en ontwerper bij meubelfabriek L.O.V. te Oosterbeek (1932/1935)

De heer Jan Schuurman: (1902 – 1961)
werknemer en  ontwerper bij meubelfabriek L.O.V. te Oosterbeek (1932/1935)

foto: familie archief

 Al vele jaren zijn we verzamelaars van meubelen die gemaakt zijn door L.O.V.. Daar vele meubelen ook een eigen verhaal hebben, verzamelen we nu ook de verhalen en meldden wij ons als lid aan van de Stichting Heemkunde Renkum aan en zo kwamen wij met medewerking van Betty de Roder, secretaris van deze stichting op het spoor van de heer Schuurman. 

Op een mooie zaterdag in december kunnen we een bureautje en twee stoelen  in Oosterbeek ophalen welke ontworpen zijn door de heer Schuurman. We krijgen kopieën van de ontwerptekeningen en van de correspondentie met Peter Bijleveld, stiefzoon van de heer Schuurman. Aan de hand van deze correspondentie zijn we op onderzoek gegaan.
De meeste informatie kregen we van Peter en zijn zus Mieke.

Rechts naast G. Pelt, mw. T. Schuurman. Rechts achter staand J.A.G. Schuurman. Foto: familie archief

De heer Schuurman is twee keer getrouwd geweest. De eerste keer met Thea Schuurman- Kok. Na haar overlijden in 1957, hij was toen adjunct-directeur Publieke Werken te Hilversum,  trad hij in het huwelijk met Daisy Schuurman- Meijers, de moeder van Peter en Mieke. Jan Schuurman overleed op 28 augustus 1961 op 59 jarige leeftijd.

Van Peter krijgen we een kopie van de notulen d.d. 30 september 1932 i.v.m. de indiensttreding van de heer Schuurman bij L.O.V. . Onderstaand plaatsen we enkele citaten uit deze notulen:

‘ De notulen van een vergadering van het dagelijksch Bestuur van den Raad van Commissarissen der N.V. Oosterbeeksche Meubelfabriek L.O.V. te Oosterbeek gehouden op 30 september 1932 ten kantore der Rotterdamsche Bankvereeniging te Arnhem.
Aanwezig bij deze vergadering zijn de President Commisaris Mr. S. Baron Creutz, en de heren H. Goedhart jr. , L. Proos Hoogendijk, alsmede de Directeur de heer G.J. Pelt.
Afwezig met kennisgeving is de heer C. Beets’.

De inhoud:
‘ Aan de orde  is de goedkeuring om een voorloopige verbintenis aan te gaan met den heer Ir. J.A.G. Schuurman te Bussum, met de bedoeling om later, na gebleken geschiktheid, genoemde heer Schuurman als vervanger van den tegenwoordigen Directeur, als Directeur aan de Vennootschap te verbinden’.

Hierna volgen de gemaakte afspraken tussen betrokkenen. Daar deze een aardige schets geven van die tijd, plaatsen we enkele citaten:
‘De heer Schuurman geeft als volontair zijn volle werkkracht aan L.O.V. voor een proeftijd, welke niet korter is dan een half jaar, en niet langer is dan een vol jaar, ingaande 1 October 1932. Gedurende dien tijd ontvangt de heer Schuurman een vergoeding van f. 100,– per maand. Indien naar het oordeel van den Directeur en Commissarissen de heer Schuurman in aanmerking kan komen voor bedrijfsleider of adjunct- directeur, zal hij na het einde van den proeftijd, die gelegen is tusschen een half jaar en een heel jaar na 1 October 1932, daartoe worden aangesteld en zal dan een salaris genieten van f. 200,– à 250,– als minimum per maand’.

En dan volgt een verklaring over de wijze van aftreden van de Directeur Pelt, en de bijkomende financiële aspecten, wanneer de heer Schuurman daadwerkelijk een andere functie zou krijgen.
Uit de correspondentie blijkt ook dat de heer Schuurman tot die tijd werkzaam was in de civiele sector als ingenieur van de Technische Hoogeschool te Delft. Daarna heeft hij een jaar gewerkt bij Dwars, Heederik en Verhey te Amersfoort als opzichter bij de aanleg van waterleidingen. De moeder van Peter en Mieke vertelde  hen: “In 1932 was er weinig uitzicht op vast werk en de baan in Amersfoort was maar tijdelijk. Echter Jan (Schuurman) wilde zijn dromen nastreven en bij al zijn sollicitatiepogingen koos hij voor een werkkring bij de n.v. meubelfabriek L.O.V. te Oosterbeek”. Peter: “Een merkwaardige afbuiging in de loopbaan van een civiel ingenieur, maar de idealistische opzet van L.O.V. dat tot doel had meubels te maken van een eigentijdse vorm en goede constructie, sprak de jonge, idealistische en artistiek begaafde Jan Schuurman zo zeer aan, dat hij tot deze zijstap overging.
De slechte dertiger jaren waren oorzaak dat de fabriek of wel haar karakter moest opgeven ofwel moest sluiten. De Directeur en zijn staf besloten resoluut tot opheffing, waarop Jan Schuurman terugkeerde naar het ingenieursbureau Dwars, Heederik en Verhey te Amersfoort”.

Na het overlijden van de Jan Schuurman vonden ze originele meubeltekeningen en schetsen uit de periode 1920- 1930 en waaruit bleek dat Jan Schuurman al langere tijd bezig was met het ontwerpen van meubelen. Peter: “Jan stond bekend als terzake kundig , mild in kritiek en iemand met veel gevoel voor humor, waardoor in vele werksituaties zijn leiding aanvaard werd en hij directies tot steun was. De hoogste functie van directeur heeft hij en na zijn verzoek daartoe, altijd afgewezen omdat hij liever bij de werkvloer bleef en graag het vergaderen aan derden overliet”. Woorden die getuigen van warmte en diep respect voor zijn vader.

Wolbankje
In een later gesprek blijkt dat Mieke nog in het bezit is van een bankje, dat ook door Jan Schuurman is ontworpen.  Beiden spreken over  ‘een wolbankje’.  We vragen om een foto. “Het bankje ziet er goed uit en heeft alleen maar een poetsbeurt nodig” aldus Mieke. Zowel het slot als de scharnieren, die van hout zijn, vallen ons op. Daar is goed over nagedacht om van dergelijke details zo’n kunstwerkje te maken.
Het bankje was ontworpen voor bij het weefgetouw van Jan Schuurmans eerste vrouw Thea, die een zeer bedreven weefster was. De naam ‘wolbankje’ is later ontstaan, omdat het gebruikt werd voor het opbergen van bolletjes breiwol en pennen. Het bankje is  ingedeeld met verplaatsbare wandjes.

In het voorjaar van 2016  bezoeken we Mieke en haar man Anne. Er wordt opnieuw veel uitgewisseld over wat zij zich nog kunnen herinneren over hun stiefvader.  “Helaas hebben we hem maar kort gekend. Wij studeerden inmiddels en woonden op kamers”, aldus Mieke. Zij belooft  nog verder op zoek te gaan in het familie archief  en of er nog foto’s zijn  over de periode dat Jan met zijn eerste vrouw getrouwd was  en waar mogelijk ook andere door L.O.V. gemaakte meubelen op staan. “We achten de kans klein, want toen onze moeder met Jan trouwde is alle inboedel vernieuwd, met uitzondering van het ‘wolbankje’, het bureautje en de twee stoelen”, vertelt Mieke “deze werden mee verhuisd”. En Mieke voegt er nog aan toe, toen we het bankje in ontvangst namen: “Ik vind het veel meer op zijn plaats tussen de andere stijl-meubels”.
We geven haar groot gelijk.

Ingrid Mispelblom Beyer
Een uitgebreide versie van dit artikel staat in het blad de Schoutambt en Heerlijkheid ,
jaargang 30, nummer 2, 2016.

 

Jacob Poppen Janssen, van LOV meubelmaker tot leraar kunstnijverheid aan de Amsterdamse Academie

foto familie archief: 0021

Op een winterdag in 2017 bezocht de Stichting Erfgoed LOV de classicus dr. L. F. Janssen. De heer Janssen had eerder aangegeven dat zijn vader als jongeman bij de meubelfabriek had gewerkt en vertelde nu over de achtergrond.

foto familie archief: 0021

Jacob Poppen Janssen (1892-1960)  had met zijn broers en zusters op jonge leeftijd zijn ouders verloren en groeide op in het Lutherse weeshuis in Amsterdam.  Op het bereiken van zijn 18e jaar werd hij geacht zijn eigen kost te verdienen en werd geschoold als  timmerman.  Ergens tussen 1910 en 1915 vond hij een betrekking bij de pas opgerichte meubelfabriek LOV. Hij woonde in Oosterbeek in bij een gezin die er een timmerbedrijf en boerderij hadden. Hij had het geluk dat hij als weeskind terecht kwam in een ‘warm’ kosthuis waar hij later met waardering op terugkeek.  Bij de LOV was hij enkele jaren in dienst als meubelmaker waar hij een interne opleiding kreeg. Gezien het sociale karakter van de onderneming heeft hij alle kansen aangegrepen op zich in de vrije tijd verder te ontwikkelen. Deze kans werd mogelijk gemaakt door zijn jeugdliefde Louise Franciska Schütz, die hij kende van het Lutherse weeshuis. Zij vond werk als derde dienstmeisje bij de joodse familie Manus. Rosa Manus (1881-1942) was een voorvechtster van vrouwenrechten in Nederland. Daarna kwam Louise in dienst bij de vermogende familie Noppen, bij wie eveneens een warm sociaal hart klopte. Op voorspraak van de heer Noppen kon Louise’s verloofde een cursus volgen  aan de Kunstnijverheidsschool Quellinus te Amsterdam. Hier haalde hij zijn M.O. tekenakte die hem de toegang tot het leraarschap verschafte.  In 1920 kreeg Janssen –alweer op voorspraak van Noppen- een aanstelling aan de prestigieuze Quellinus-school in Amsterdam. Hier zou hij de rest van zijn loopbaan lesgeven in het meubelmakersvak.  Met de vaste aanstelling op zak trouwde hij in hetzelfde jaar met Louise Schütz. Waarschijnlijk  hadden zij al in de LOV-tijd trouwplannen gekoesterd, want het is bekend dat hij in de voorgaande jaren werkte aan de uitzet. Dit betrof een volledige set van meubelen voor de eetkamer en de slaapkamer die hijzelf had ontworpen en op de vrije zaterdagmiddagen werden vervaardigd, waarbij Janssen gebruik mocht maken van de faciliteiten van de LOV-fabriek. Het werd een sobere, ambachtelijk uitgevoerde meubelset in Slavonisch eikenhout, met enkele coromandelhouten accenten. Qua ontwerp toonden de meubelen gelijkenis met de vernieuwende vormgeving van Willem Penaat. De meubelen zijn nog steeds in het bezit van de familie.  Het is ook mogelijk dat directeur Gerrit Pelt de loopbaan van Janssen heeft bevorderd. In ieder geval verliet Janssen de LOV met een fraai getuigschrift op zak.

foto familie archief: 0021

Op de Quellinusschool was Janssen geheel op zijn plaats en heeft er tot zijn pensionering in 1957 lesgegeven. Deze kunstnijverheidsschool aan de Amsterdamse Gabriël Metsustraat was oorspronkelijk opgericht door de bekende architect Pierre Cuypers om ambachtslieden op te leiden ten behoeve van de bouw van het Rijksmuseum.  In de loop van de jaren ontwikkelde deze school zich tot een vooraanstaand instituut  waar generaties Nederlandse ontwerpers en beeldende kunstenaars hun opleiding hebben gehad. Het onderwijs was gesplitst in de ontwerpafdeling waar de nadruk op het tekenen werd gegeven, en de uitvoeringsafdeling waar een grondige materiaalkennis en de praktische uitvoering werd onderwezen. In 1924 fuseerde de school met de Rijksschool voor Kunstnijverheid en ging verder onder de naam Instituut voor Kunstnijverheidsonderwijs Amsterdam (IVKNO), de latere Rietveldacademie.

foto familie archief: 0021

Janssen kon het daar goed vinden met collega-docenten als J.B. Heukelom en Bert Nienhuis, en met de opeenvolgende directeuren:  van 1916 tot 1924 de theosofische architect J.L.M. Lauweriks, de ‘heer van standing’ Smits, vanaf 1934 tot 1948 de communistisch georiënteerde architect Mart Stam. Deze laatste maakte zich met zijn autoritaire houding kennelijk niet geliefd op de school, maar de verhouding tussen Janssen en Stam kenmerkte zich door wederzijds respect. Als Janssen bijvoorbeeld vroeg om een machine om hout te buigen met behulp van stoom, dan zorgde Stam er gewoon voor dat deze werd aangeschaft.  Tot zijn leerlingen behoorden onder andere de latere binnenhuisarchitecten Drilling (wiens vader een meubileringsbedrijf had aan de Rozengracht), Johan Niegeman die een grote rol zou spelen in de naoorlogse Stichting Goed Wonen, en de uit Nederlands-Indië afkomstige Kho Liang Ie, de ‘poëet onder de functionalisten’ die in de jaren zestig o.a. de prestigieuze opdracht kreeg om de vertrekhal van Schiphol vorm te geven.   Op die manier werd de modernistische vormgeving die de LOV decennia eerder kenmerkte op een indirecte manier aan een volgende generatie ontwerpers doorgegeven.

Frederik Erens.

Willem Berends (ca. 1890-1963), bedrijfsleider en vioolbouwer

foto: familie archief C0049

Willem Berends werd geboren in Renkum en volgde zijn opleiding aan de Ambachtsschool in Arnhem –vermoedelijk ook bij Albert Smit die daar sinds 1901 doceerde. Berends stond bekend als een ijverige leerling die altijd stipt op tijd in de klas verscheen, ondanks zijn dagelijkse lange tocht vanuit Renkum. Toen hij zijn diploma in ontvangst nam, kreeg hij om die reden ook een zilveren zakhorloge met inscriptie.
Na de ambachtsschool bekwaamde hij zich in het bouwen van violen; hij maakte daarvoor zelfs een studiereis naar Hongarije.

Op een onbekend moment werd hij aangenomen bij de LOV in Oosterbeek waar hij opklom tot bedrijfsleider.
Over deze periode is weinig overgeleverd, wel weet men te herinneren dat hij in deze functie naar Tsjechoslowakije reisde om er hout in te kopen. Dat zal ongetwijfeld het hoogwaardige Slavonisch eikenhout betroffen hebben, al ligt ‘Slavonië’ strikt genomen in Kroatië. Hij kocht er ook het hout voor zijn vioolbouw.

Hij sprak  op latere leeftijd trouwens ook nauwelijks over zijn L.O.V. tijd. Dat was na 1935 passé.  Toch is er uit Berends’ erfenis veel meubilair uit de LOV-fabriek bewaard gebleven, liefdevol gekoesterd door zijn kleinkinderen.

 

Foto: familie archief C0049
Foto: familie archief C0049

 

 

 

 

 

 

 

 

Een opmerkelijk meubel is een uitklapbare grammofoonplaatkast die de musicale Berends liet maken met een draaischijf voor het afspelen van langspeelplaten, en een voor het zelf graveren van de platen. Hij  ontwierp zelf ook meubilair.

Volgens zijn kleindochter stond hij bekend als een aardige, rustige persoonlijkheid die nauwe contacten onderhield met kunstenaars en ontwerpers op de zuidelijke Veluwezoom.

 

De familie Holstege, meubelmakers/ stoffeerders bij meubelfabriek L.O.V.

T(inie) Holstege is de dochter van Johan Holstege, Heer meubelmaker/ stoffeerder bij meubelfabriek L.O.V. 1924- 1935.
Herman Holstege en Bart (Lambertus Albert) Holstege zijn ooms van Tinie Holstege en eveneens meubelmakers/ stoffeerders. Paul van de Berg was ook een oom en meubelmaker.

Het verhaal van Tinie.
Begin 2017 start de mailcorrespondentie met Paul, de zoon van Tinie. Hij had een artikel gelezen in de Schoutambt en Heerlijkheid over L.O.V. en was op zoek naar verzamelaars van L.O.V. meubelen.
Paul: “Mijn opa heeft volgens mij slechts enkele jaren bij het LO.V. gewerkt, maar was tot aan zijn dood lovend over de fabriek en de directeur Gerrit Pelt. Als rasechte socialist was het voor mijn opa het summum. Hij is eind jaren ’80 , begin jaren ’90, daarover nog geïnterviewd voor het programma van Gewest tot Gewest. Er waren in die jaren ook nog veel familieleden met meubelen van L.O.V. Ik vrees dat het meeste echter verloren is gegaan. Mijn moeder vroeg mij op zoek te gaan naar nazaten. Leve het internet, zo snel reeds. Neemt u gewoon even contact op met haar op. Zij woont nog steeds in Oosterbeek en zal het geweldig vinden”.

Het welkom van Tinie en haar man is hartelijk en snel zitten we met een kopje thee in de knusse woonkamer. Er ligt op tafel een krantenartikel uit 1991. “Deze heeft een vriendin bewaard”, ligt Tinie toe. De kop boven het artikel luidt: ‘Gerrit Pelt was een echte Sinterklaas’. Van mijn oom, een kleinkind van Gerrit Pelt,  hoorden we het verhaal dat hij en zijn broers als kind nooit hebben geweten dat hun Sinterklaas hun eigen opa was.
Ook worden we direct gewezen op een lijmpotje dat op een brandertje  op een prominent plaatsje in de kamer staat. “Dat is het enige wat ik nog heb en mij herinnert aan het werk van mijn vader bij de meubelmakerij. We hebben geen meubelen meer, maar Joop, de dochter van Bart, heeft nog een mooie eethoek. Zij is 89 en woont in Schiedam”. We hebben een telefoonnummer gekregen en beloofden haar te zullen bellen. “Dat moeten jullie zeker doen, want ze heeft nog meer verhalen dan ik. Ze is ook ouder en weet uit die tijd nog veel te herinneren”.
“Heb ik u niet al eens ontmoet?” ik bevestigde dat dit het geval is en noem de plaats waar dat is geweest nl. in het Volkshuis bij een lezing van de Stichting Heemkunde.

Van links naar rechts: Staand: Herman Eimers; Zittend: ?; Met iets in hand: ?; Zittend achter: Moring Leunend op stoel: Johan Holstege; Rechts achter: 2x ? ; Voor zittend: Daan Teunissen Foto: archief Karin Gaillard

“U lijkt op uw tante Doedie. Heeft u haar wel eens ontmoet? Zij woonde haar hele leven in Oosterbeek en is 8 april 2015 overleden”.
We hebben oude foto’s meegenomen en wanneer Tinie een van de foto’s  van de werknemers ziet, zegt ze meteen:”Dat is mijn vader, die man met die grote kuif”. En vervolgens worden de diverse namen genoemd van de mannen die op de foto staan en de daarbij behorende verhalen. Mijn vader heeft van Herman Eimers het vak geleerd.

Met de foto’s komen nog meer herinneringen boven zoals het donkergroene linoleum dat op de grond lag met daarop een oranje kleed met een zwarte rand. Ook dat was door L.O.V. ontworpen. We vertelden dat we een PTT bank hebben overgenomen waarop kussens liggen die ook gemerkt zijn met het huismerk van L.O.V. ” Toen mijn ouders wilden trouwen vroeg mijn vader aan Gerrit Pelt of dat wel kon. Er was in die tijd maar beperkte werk gelegenheid te vinden in de omgeving waar je woonachtig bent. Tegenwoordig kan je overal heen met de auto, maar dat was toen niet het geval. Wanneer je voor een andere baan koos, was een verhuizing vaak het gevolg. Gerrit Pelt stelde mijn vader gerust, maar dat viel achteraf wel wat tegen toen de fabriek gesloten werd. Mijn ouders hebben toch besloten om te gaan trouwen.
Wanneer de fabriek dicht gaat krijgen de werknemers meubelen mee. Sommigen hebben de meubels wit geverfd. Na de sluiting van de fabriek groeide het aantal werklozen snel en ook velen verhuisden naar andere plaatsen zoals Rotterdam”.

Chrisie Schotman en Johan Holstege sr. Foto: Tinie Holstege

Bart verhuisde naar Schiedam toen hij daar werk kreeg. Dat gebeurde in die tijd omdat er weinig vervoer was zoals dat tegenwoordig het geval is en iedereen een auto heeft. ‘Mijn familieleden zijn nooit echte stadsmensen geworden”. Even is het stil. “Karin Gaillard zegt dat er sprake was van liquidatie. Dat was geenszins het geval. Alles is keurig afgehandeld. Iedereen was blij met een baas als de heer Pelt”. Enige felheid klinkt in haar stem.
“Mijn moeder maakte bruidskleding voor Gerzon en mijn vader was stoffeerder en zo hebben zij besloten een manufacturenwinkel op te zetten aan de Benedendorpseweg. Gerrit Pelt en zijn vrouw kwamen daar ook. En wanneer mevrouw Pelt aan het winkelen was, ging de heer Pelt in een hoekje aan een tafel zitten en las de door hem zelf meegenomen krant. ‘De Waarheid’ “. Een glimlach verscheen op haar gezicht.
“Ik ken ook een mevrouw Mispelblom Beyer. Ze woonde aan de Wolfhezerweg”. Bij navraag blijkt dat zij de vrouw van een broer van mijn opa H.J. Mispelblom Beyer, Wim te zijn.
“Mijn vader is altijd een vakman gebleven. Zo voelde hij een keer aan een kapstok, alsof hij wilde zeggen: ‘Dat is vakwerk’ “.

Dat hij van zijn werk hield, blijkt ook uit het volgende verhaal: “De olie waarmee we ons eten konden klaarmaken, werd in de oorlog in het geheim geperst. Toen de Duitsers kwamen en de huizen binnendrongen,  hebben ze de olie over de meubelen uitgestrooid. Alles was onder gespetterd. Mijn vader was een echte vakman met liefde voor zijn werk en is begonnen om al deze meubelen weer vrij te maken van de olie. Het resultaat was prachtig, alsof ze weer nieuw waren.
Toen in 1991 de tentoonstelling was naar aanleiding van het onderzoek van Karin Gaillard, is er nog een reünie geweest van de werknemers van L.O.V.. Daar hebben we een film van en zullen we voor jullie opzoeken. Mijn vader heeft ook meegedaan aan het programma van Gewest tot Gewest dat in 1991 uitgezonden is en ook zijn mijn ouders door Karin Gaillard benaderd i.v.m. haar onderzoek. Je kan wel zeggen dat mijn ouders een bewogen leven hebben gehad”.

Herman Holstege. Foto: familie archief

Voorjaar 2017
Paul berichtte ons dat de videobanden gevonden waren. We maakten een afspraak voor een volgend bezoek. De banden mogen we lenen en hebben deze om laten zetten op DVD . Tinie vond het jammer dat we de banden niet konden zien,  maar wanneer de DVD’s klaar waren, moesten we snel weer komen om samen de films te bekijken: “Dan kan ik jullie vertellen wie er allemaal opstaan”.
Tijdens dit bezoek ligt op de tafel een boekje met de bovenkant naar beneden. “Ik kan die foto niet zien, ik vind hem zo afschuwelijk” legt ze uit. Het boekje getiteld Herman Holstege, een Oosterbeekse verzetsheld (1903-1941), beschrijft het verhaal van haar oom en is door Ron Wenting en Cees Holstege geschreven.  “Herman is ook in dienst van L.O.V. geweest als meubelstoffeerder. In die tijd was hij nog zoekende wat bij hem past. Hij heeft eerst even gewerkt bij L.O.V., is daarna naar Brussel gegaan, om vervolgens weer terug te keren en is opnieuw aangenomen bij L.O.V.” , aldus Tinie. “In de oorlog heeft hij in het verzet gezeten en is op een afschuwelijke wijze om het leven gekomen tijdens een dagen lang durend verhoor in de Scheveningse gevangenis. Hij was 37 jaar”.


Samenvatting aantekeningen van Karin Gaillard
Op 28 mei 1980 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen Karin Gaillard en de heer en mevrouw Holstege sr.

De heer (Johan) Holstege is in 1924 als stoffeerder bij L.O.V. in dienst gekomen en heeft er tot de sluiting van de fabriek bij L.O.V. gewerkt: “De L.O.V. fabriek was zijn tijd ver vooruit zowel op het gebied van ontwerpen als op het gebied van de sociale voorzieningen. Het uurloon was 10 cent hoger dan het uurloon in Amsterdam.
Er waren 8 uur durende werkdagen en de vakantiedagen werden uitgebreid van 3 naar 8 dagen per jaar. Daarnaast zouden de werknemers aandelen krijgen, maar daarvoor moest eerst winst gemaakt worden. In de tijd dat de ik er werkte was de bloeitijd min of meer voorbij”, aldus de heer Holstege.
Ook blijkt uit het gesprek met Karin dat de heer Holstege wel kritiek had op hoe zaken gingen: “Het leek wel of de werknemers niet door hadden hoe goed ze het hadden. Ondanks dat we in een crisistijd leefde, konden ze goed ‘lijntje trekken’, dat hield in dat er langzaam gewerkt werd en vooral wanneer de leiding niet sterk genoeg optrad. Wanneer de heer Pelt er niet was, lagen de machines vaak stil” .
Wanneer ik het verslag door lees worden de bedrijfsleiders ook genoemd. De heer Holstege vond deze wat slap: “De heer Berends, de chef werkmeester, was geen organisator en niet streng genoeg. Maar hij was wel een erg handige en goede man. Tijdelijke mede directeuren en technische leiders hadden weinig in te brengen. De heer Pelt was duidelijk de baas, een soort generaal. Wanneer hij verscheen had men veel ontzag voor hem”.
Over de heer Pelt was hij vol lof. “De heer Pelt was bijzonder sociaal bewogen. Hij zat ook in de reclasseringscommissie. Hij wilde de meubelmakers, die vaker beter ontwikkeld waren, dan mensen die andere beroepen uitoefenden, op een hoger leefniveau brengen. Dat de werknemers in eigen huizen woonden en gebruik konden maken van het badhuis en een bibliotheek, werd door de inwoners van het dorp Oosterbeek anders gezien. Voor hen waren het ‘verwaande mensen’.  Onder de werknemers zelf was de sfeer goed. Ze waren van verschillende politieke gezindten en het leek soms wel een ‘vrijgevochten bende’. Het contact tussen het uitvoerend personeel en de ontwerpers was er nauwelijks en met name wanneer het zogenaamde losse ontwerpers waren. Deze konden hun ontwerp door L.O.V. laten uitvoeren wanneer het was goedgekeurd. Ook waren er personeelsvergaderingen, maar daar kwam niet zoveel uit”.
Volgens de heer Holstege zou de meubelfabriek L.O.V. ook niet geregistreerd staan in het Handelsregister, wat hij zich goed kon voorstellen omdat het typisch een fabriek was die op zichzelf wilde werken.
Wanneer het gesprek gaat over zijn vak stofferen, vertelde de heer Holstege hier enthousiast over: “De stoffen die voor het bekleden van de meubels werden gebruikt waren meestal manchester stoffen. Ze werden door de textielfabrieken van Heek en Co en van Dam geleverd.  Zelden werden er kopspijkertjes gebruikt, maar galonnetjes ( bandjes) toegepast voor de afwerking. Soms deed men wel 2 ½ uur over een zitting van een stoel en dit vond ik te lang en wilde het terugbrengen naar een half uur. Dus kwam ik op het idee om rubberen plaatjes te gebruiken, maar dat keurde de directie niet goed.
In het begin vond ik de meubels helemaal niet mooi. Ze waren veel te rechtlijnig en te strak, Later kon ik er wel aan wennen. De typische arbeidersmeubels bestonden vaak uit rare modellen, die erg beroerd zaten, ook wel logisch daar de stof op een triplexplaatje werd aangebracht.
Op voorraad werken was er nauwelijks bij. Toen de fabriek dicht ging, vertrokken veel meubelmakers naar Rotterdam om bij de scheepsbouw te gaan werken. Ook mijn broer Bart verhuisde naar Schiedam”.

Slot:
Het huis van de familie Holstege was in 1980 nog ingericht met meubelen van L.O.V.. Deze bestonden uit een eetkamer- en slaapkamerameublement. “Vroeger hebben we nog twee crapauds gehad. Daar zijn er maar drie van gemaakt. Ook de tekeningen zijn vernietigd. Dat ging in die tijd zo. Vooral wanneer men vond dat er voldoende van een bepaald model gemaakt waren of wanneer een eigenaar daarom vroeg”.
Zoals we al van Tinie hebben vernomen zijn geen van de meubels meer in hun bezit.

 

Bron: verslag Karin Gaillard d.d. 28 mei 1980
Bron: gesprekken in 2017 met Tinie Holstege (1933)